• Heideblauwtje

    Heideblauwtje
    Mannetje.
  • Heideblauwtje

    Heideblauwtje
    Vrouwtje.
  • Heideblauwtje

    Heideblauwtje
    Ouder vrouwtje: de kleuren zijn redelijk vervaagd.
  • Heideblauwtjes

    Heideblauwtjes
    Parend, boven het vrouwtje.
  • Heideblauwtjes

    Heideblauwtjes
    Parend, boven het vrouwtje.
    Plebejus argus

    Het heideblauwtje is een vlinder die vooral op vochtige heide kan worden aangetroffen.

    Herkenning

    Voorvleugellengte: circa 14 mm. De bovenkant van de vleugels is bij het mannetje helderblauw met een witte franje en bij het vrouwtje donkerbruin met langs de achterrand enkele oranje vlekjes en een bruine franje. De onderkant van de vleugels is bij het mannetje lichtblauw en bij het vrouwtje diepbruin. Op de onderkant van de achtervleugel bevindt zich langs de achterrand een oranje band met zwarte vlekken die zilverkleurig bestoven zijn. De zwarte vlekken op de onderkant van de vleugels zijn groot en rond en meestal omgeven door een lichte ring; op de onderkant van de voorvleugel bevinden zich geen wortelvlekken. Voor het meest zekere determinatiekenmerk moet een mannetje voorzichtig gevangen worden. Met een loep is dan te zien dat de scheen van de voorpoot een krachtige spoor heeft.

    Gelijkende soorten

    Bij het vals heideblauwtje ontbreekt het spoor aan de scheen van de voorpoot. Het vrouwtje van het vals heideblauwtje is doorgaans lichter van kleur.

    Verspreiding

    Een schaarse standvlinder die lokaal voorkomt op de hogere zandgronden in Noordoost-, Midden- en Zuid-Nederland; in de duinstreek vliegt het heideblauwtje vrijwel alleen nog op de Waddeneilanden Texel en Terschelling.

    Habitat

    Zowel droge als natte heidevelden; vaak op de overgang van droge naar natte heide. De heide is doorgaans vrij open tot zeer open en structuurrijk met hier en daar kale grond.

    Waardplanten

    Vooral struikhei; soms dophei of vlinderbloemigen zoals rolklaver en heidebrem.

    Vliegtijd en gedrag

    Begin juni-eind augustus in één generatie; soms een partiële tweede generatie tot half oktober. De vlinders voeden zich vooral met nectar van gewone dophei, struikhei en muizenoor. De mannetjes zoeken naar vrouwtje door het maken van patrouillevluchten of het vertonen van territoriaal gedrag. De vlinders komen vaak 's avonds bijeen in bijvoorbeeld een pol pijpenstrootje en vormen daar een slaapgezelschap.

    Levenscyclus

    Rups: half maart-half juni. Jonge rupsen eten van de jonge uitlopers van de waardplant. Sommige rupsen worden meegenomen door mieren en verpoppen zich in het mierennest. Rupsen die niet door mieren worden meegenomen verpoppen zich in de grond. De soort overwintert als ei, laag tegen een takje struikhei.

    Kenmerken rups

    Tot 13 mm; breed, naar de uiteinden versmald en naar de randen afgeplat; lichaam groen met over het midden van de rug een wit afgezette, zwartachtig bruine lengtestreep en onder de spiracula een witte lengtestreep; de flanken zijn soms getekend met bruinachtig groene diagonale strepen; er komt ook een roodachtig bruine vorm voor, met een purperen lengtestreep over de rug; kop zwart, in het lichaam teruggetrokken.

    Specificaties

    Deel dit artikel

    Hoogsteen.nl

    Amateurfotografie


    Flickr

    Ontdek meer van
    Hoogsteen.nl op Flickr.

    Twitter

    Volg Hoogsteen.nl
    op Twitter.

    Youtube

    Het Hoogsteen.nl
    YouTube kanaal.

    Weer

    Weerstation
    Surhuisterveen Centrum.